HET
GENOOTSCHAP
VAN DE
MAROT









NIEUWSBRIEF

Inschrijving Nieuwsbrief
 

Kroniek

Voorjaar

U vraagt zich vast af wat er verder nog gebeurt met het Genootschap. Óf er nog wel iets gebeurt daar. Nu kunnen wij, als leden van het dierbare Genootschap, nog zo hard roepen dat we de luiheid vieren, we lokten jullie massaal met het vooruitzicht op diepgaande lezingen, intelligente maar nutteloze teksten, interessante uitstappen en dies meer. Er werd natuurlijk wel een gesmaakte lezing georganiseerd over het basisinkomen én een toneelmonoloog opgevoerd, speciaal voor u, beste liefhebber van het Genootschap. Maar daar gingen heel wat vergaderingen aan vooraf. Denkwerk had ik bijna geschreven...

Ik had u stellig beloofd om u op de hoogte houden van wat er zich juist afspeelt in de bruine kroegen en achtergelegen kamers waar het Genootschap zowat maandelijks bij elkaar komt in de donkerste uren van de nacht. Er is sindsdien een hele tijd verstreken waarin ik niets van me liet horen. Nochtans vulde ik mijn mobieltje met notities en puilden mijn zakken uit van de bierviltjes waarop ik aantekeningen maakte. Het waren de andere leden die me het zwijgen oplegden. P., geruggesteund door de Vaandeldrager, snifte nagenoeg meteen dat hij het verslag te waarheidsgetrouw vond - de spiegel die hen werd voorgehouden was dan ook levensgroot - en dat hij er de zin dus niet van in zag. En dat, mijn dierbare lezer, krenkte mijn ijdelheid meer dan jullie schamele duimpjes op het relaas. Nu ben ik ook niet meteen van een kleintje vervaard, maar toen daaropvolgend de Président-Fondateur, een notoir bokser, die zich al te graag Sir Bollocks laat noemen, dreigde met een sanctie omdat ik onoorbaar gesuggereerd zou hebben dat hij een ziekte zou veinzen, besloot ik wijselijk om mijn eigen hachje te redden. Voor eventjes dan toch. U begrijpt vast dat ik mijn hoofd toch niet in het zand kan blijven steken. En bovendien had ik gelijk wat de Président-Fondateur betreft, want twee vergaderingen later was het weer zover. Zijn ziekte speelde onverklaarbaar weer helemaal op.



Toegegeven, er was ook een lid dat juichte om het verslag. Luie Sjarel. Hij toeterde luid dat hij nu eindelijk ontslagen kon worden uit zijn zelfgekozen (!) functie van verslaggever. Eigenbelang was het dus. Maar zijn vreugde was er niet minder om en hij maakte een rondedansje, vergat daarbij zijn zwak gestel en brak zijn rug. Nu loopt hij nog steeds mank en met een stok. Of zou dat slechts een aanstellerige pose zijn? Een mooi excuus misschien om toch maar niet de helse tocht naar die verre gelegenheden te moeten ondernemen.

Want ver is het wel dat er moet gegaan worden om een vergadering te mógen bijwonen. En dat komt door de Vlaggendrager, die graag het romantische beeld van zichzelf ophangt dat hij steeds marsjerend op weg is door berg en dal naar het graf van de kapitein van Köpenick, terwijl hij weigert de grens van zijn eigen veld over te steken. (Tenzij voor een alternatieve boekenbeurs waar dan bleek dat hij reeds alle communistische werken bezit. Je moet niet vragen…) Met die halsstarrige houding ondermijnt hij het verhoopte gezag van de Président-Fondateur Bollocks door simpelweg te stellen dat de bijeenkomst maar in zijn tuin moet doorgaan. Nochtans opperde Sir Bollocks een varken aan het spit op het eigen erf. Met ingehouden adem las ik het vervolg op de conversatie over het plaatsbepalen en tot mijn grote ontzetting zag ik een nederige knieval door de Président-Fondateur: de vergadering zou doorgaan bij de Vlaggendrager. Die knieval deed me pijn, beste lezer. U moet weten dat ik nogal opkijk naar het knappe leiderschap dat de Président-Fondateur is en dat vertrouwen werd met een paar snedige tokkels op een toetsenbord beschadigd. Jammer vind ik dat. En ik ben niet de enige want de eerste van de genoten verlaat op dit moment de tafel. Karel de Kale hoopt elders onvergetelijke ervaringen op te doen. Zou hij trouwens de pot die hij tijdens het laatste cafébezoek ongegeneerd in zijn broekzak stak gebruiken om zijn dromen na te jagen? Nu heeft Karel de Kale wel gelijk dat hij het genootschap der onverlaten de rug toekeert, al het toch wat gemakkelijk als je zo een bende sukkels zonder enige uitleg achterlaat. Het is toch godverdomme waar zeker!

Het genootschap slinkt dus behoorlijk. Een vertrek is altijd jammer, maar er zijn ook te veel onbetrouwbare sujetten binnen het gezelschap. Heer Boris laat zich vrijwel nooit zien, tenzij hij het middelpunt kan zijn als gespreksleider of als de muzikale spil op een zangavond. En dan is er de Heer met de Ongekende Baardgroei nog; hij maakt er met een wiskundige precisie een spel van om evenveel wel als niet te komen. En als hij dan al komt, maakt hij zich druk om onbenulligheden zoals de schoppen op een opnaaipatch die geen andere kleur kunnen hebben dan zwart. Want wist u, geëerde lezer, dat de genoten het logo van het genootschap op een patch willen laten zetten en dat ze verwachten dat u ze dan gaat kopen én opnaaien, op de mouw van uw jas bijvoorbeeld. Uren wordt er dan vergaderd over de kleuren, het lettertype of de grootte. Tot de Vrouwe van het genootschap, die toch over heel wat stijl beschikt, er komaf mee wil maken en er een ontwerp naar behoren uitpikt. Briesend wordt ze van de tafel verjaagd door de Heer met de Ongekende Baardgroei en door de Vlaggendrager - bij wie het vooral te doen is om uiterlijke schijn, maar dat had u vast al in de gaten - omdat de de schoppen niet zwart zijn …

De oogjes van P. beginnen op die momenten te blinken en in al zijn astrante slechtheid speelt hij het gezelschap nog wat verder uit elkaar. Hij weet als geen ander de heikele kwesties op tafel te gooien op momenten van relatieve rust. Was de Vlaggendrager toch even stil over het hebben van een vlag nadat ik het aan u opbiechtte, dan kan u er staat op maken dat dat P. het ten berde brengt. De visioenen trekken dan weer aan diens ogen voorbij en hij verliest zichzelf weer volledig. Ondertussen zegt P. nog iets over een alcoholische roes waarbij de Président-Fondateur zich weldra bedenkt dat op de uitstappen die georganiseerd zullen worden (ooit…) er vooral op zoek moet gegaan worden naar de nabijheid van een brouwerij of een stokerij om op die manier de uitstap voor zichzelf te rechtvaardigen, waarmee hij de ideologische schoonheden van het concept geheel teniet doet. Dat het geen zin heeft, verzucht hij dan. En tot grote ergernis van alle genoten begint P. vervolgens opnieuw een frenetieke uiteenzetting over het kwaliteitslabel dat gesteven servetten zouden moeten zijn. Wat later is hij dan klaar om alles af te maken door een bijdehante opmerking over voetbal. ‘Voetbal?!’ hoor ik jullie hardop denken. Ja, het woord voetbal zorgt in het genootschap steevast voor wazige blikken in de eeuwige gelukzaligheid. Dat er een kapitalische machine achter zit die de wereld naar de vaantjes helpt, zal de heren een worst wezen. Gelukkig is er de Vrouwe dan nog, die dan, stevig rologend, de mannen weer bij zinnen probeert te brengen.

Er moet immer nog heel wat geregeld worden. Een gespreksavond in de herfst met de gevierde auteur Jeroen Olyslaegers is een heerlijk vooruitzicht, net zoals de lezing in het voorjaar van filosoof Johan Braeckman, die zomaar zei dat hij de uitgangspunten van het genootschap erg genegen is. U bent vast onder de indruk van onze verwezenlijkingen.

Maar eerst zien we u nog op de zangavond waar ook alweer een stevige voorbereiding aan vooraf ging. Maar dat hoort ook zo. We willen jullie liederenkennis immers stevig verbreden en verder wordt er jullie bier aan democratische prijzen beloofd. Dat kan alleen maar goedkomen!